SCHAPENSHEEP
Rutger Koplandtrans. James Brockway
Zo ging het altijd. 's Avonds kwamen ze
aan het water, stonden ze daar langzaam
te kijken naar de overkant van de rivier.

Allemaal waren ze anders en toch, allemaal
aan elkaar volkomen gelijk, en ik, ik was
één van hen, maar we wisten beiden niet wie.

Dan werd de rivier uiteindelijk zo glad
en zo zwart, dat het was alsof niet alleen
het water, maar ook de tijd zelf ophield.

Ze dronken er van, tot ze verdronken in
hun eigen silhouetten, in het zwart van dat
water, het zwart van de nacht in de diepte.

En in de morgen stroomde dan weer heel licht
en luchtig de rivier door de vallei, terwijl
zij daar weer eenzelvig grazend de verte inliepen.

Allemaal dezelfde, en tegelijk allemaal anders,
en wie het was die het was, wij beiden wisten
het niet, zo was het altijd, tot ook dat ophield.
That's how it always went. In the evening they came
to the water, stood there and slowly gazed across
at the river's further shore.

All of them were different, yet all of them
exactly like each other, and I, I was
one of them, but neither of us knew which.

Then the river finally became so smooth
and so black, that it was as though not only
the water but also time itself had stopped.

They drank of it until they drowned in their own
silhouettes, in the black of that water,
the black of the night in the depths.

Then in the morning the river flowed again, light
and lissom through the valley, while, cropping,
one by one they moved back into the distance.

All of them the same, yet all of them different,
and which of them was me, neither of us knew.
That's how it always was, until that too stopped.

Copyright © Rutger Kopland 1966-2001, transl. © Estate of James Brockway 1991 & 2001 - publ. The Harvill Press


...buy this book
next
index
translator's next