LENTE SPRING
Anna Enquist trans. David Colmer
Het klein hoefblad hield ik vroeger
scherp in de garen. Wanneer, waar,
of het al. Ook de kale witte klaver
en later de rode met de roestplekken.

Wij schrokken nergens voor terug
met onze manden en spaden. Weide
stond in plaggen voor het keukenraam
te sterven, te snakken naar water.

Nu kweekt mijn zoon zijn geurend
riet op het balkon. Mijn dochter
spaart haar rozen. Al wat ik liefheb
heeft gebloeid, het is zover

geweest voor ik het wist. Ik
heb mij nergens mee bemoeid.
I used to keep a sharp look out
for coltsfoot. When, where, whether
it had. The spare white clover too,
and later, the red with flecks of rust.

We knew no mercy with our baskets
and our spade. Slabs of meadow
arrayed before the kitchen window,
dying slowly, gasping for water.

Now my son grows fragrant reeds
on a tiny balcony. My daughter
collects her roses. Everything I love
has come to flower, it happened

before I realized. It was all
beyond my power.

Copyright © Anna Enquist 2002, transl. © David Colmer 2003 - publ. The Toby Press


...buy this book
next
index
translator's next