HET ELFDE SONNET VAN DE SCHOONHEID THE ELEVENTH SONNET TO BEAUTY - (from Dutch)
Gerbrand Adriaenszoon Bredero tr. Cliff Crego
O rijpen boezem wit die voor mijn ogen stadig
Zo liefelijken zweeft, gelijk den wederschijn
Van d'allerwitste sneeuw aan d'oorsprong van den Rijn -
Maar uwe schimmering, o zwakke ogen schadig!

Met maagdelijke melk verschijnen daar beladig
Twee zilver dopkens rond, op elke staat een robijn,
't Zijn appelkens gelijk, daarop twee kerskens zijn,
Wiens rode rijpigheid een lust baart ongestadig.

Och, die 't eens weten mocht, wat Hemels zuigelink
Daar nog aanleggen zal, hoe met den gouden rink,
Zijns Moeders echtsieraad, het dertelijk zal spelen,

En zitten op haar schoot, verslaan zijn kinderpraat,
Dan waar' het zeggen uit, Appeles schoonst sieraad
Is 't lieflijkste kind van al des werelds delen!
O ripe bosom white that steadily before mine eyes
So dearly drifts, like the clear reflection
At the source of the Rhine of the purest snow -
Ah but your shimmering, o weak eyes doth impair!

With chaste milk appear there laden
Two silver covers round, on top of both a ruby,
Which like small apples with cherries crowned,
Whose red ripeness an unsettling pleasure bears.

Ah, who would know it, what heavenly suckling
Shall there lay, who with the golden tinkle
Of his Mother's true jewels, delicately shall play,

And sit upon her lap, suppress his babytalk,
Then enough be said, apple's most beautiful adornment
Is the most lovely child of all the many parts of the world!

Transl. copyright © Cliff Crego 2004


next
index
translator's next